





























Hadeeth Cards
Da'wa cards that highlight great meanings from the noble prophetic hadiths in a simple style and attractive display that helps the Muslim to have a deeper understanding of his religion in an easy way
All
Aboe Sa'īd al-Khudri (moge Allah tevreden zijn met hem ) rapporteerde: De Boodschapper van Allah (moge Allah Zijn vrede en zegeningen op hem zijn) zei: "Wanneer de overledene wordt opgebaard en door de mannen op hun schouders wordt gedragen, zal zij, als zij een goed persoon was, roepen: 'Breng me verder!' Maar als zij geen goed persoon was, zal zij zeggen: 'Wee mij, waar brengen ze me heen?' Alles, behalve de mens, kan haar stem horen en als de mens haar zou horen, zou hij bezwijken van angst".
Overgeleverd door Al-BoekhariDe Profeet (vrede zij met hem) vertelde dat wanneer de overledene op de baar wordt gelegd en door mannen op hun schouders wordt gedragen, zij, als zij een rechtvaardig persoon was, zal roepen: "Breng mij verder!" omdat zij het paradijs voor zich ziet. Maar als zij geen rechtvaardig persoon was, zal zij met een afschuwelijke stem uitroepen: "Wee, waar brengen ze me heen?!" uit vrees voor de kwellingen die haar te wachten staan. Haar stem is hoorbaar voor alles behalve de mens en als de mens deze zou horen, zou hij bezwijken van de schrik door de intensiteit van wat hij hoort.
Overgeleverd door Al-Miqdad ibn Al-Aswad (moge Allah tevreden zijn met hem): Hij zei: Ik hoorde de Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen zij met hem) zeggen: "Op de Dag des Oordeels zal de zon zo dicht bij de schepping komen dat de afstand tot hen gelijk is aan die van één mijl." Soelaim ibn 'Amir zei: "Bij Allah, ik weet niet of hij de afstand van de aarde bedoelde of de oogliner (kohl)-mijl." Hij zei verder: "Mensen zullen zweten afhankelijk van hun daden, sommigen tot hun enkels, sommigen tot hun knieën, sommigen tot hun middel, en sommigen zullen door het zweet overspoeld worden." De Boodschapper van Allah (vrede en zegeningen zij met hem) wees daarbij met zijn hand naar zijn mond.
Overgeleverd door MoeslimDe Profeet (vrede en zegeningen zij met hem) vertelde dat de zon op de Dag des Oordeels dicht bij de schepping zal komen en dichterbij zal worden gebracht, tot ze zo dicht bij hun hoofden is als de afstand van een mijl. De Tabi’i (volgeling) Soelaim ibn ‘Amir zei: Bij Allah, ik weet niet welke van de twee mijlen hij bedoelde: de afstand over de aarde of de kohl-stift (oogliner) waarmee de ogen worden omlijnd. Hij zei: Zij zullen zich in het zweet bevinden naar gelang hun daden; sommigen tot aan hun enkels, sommigen tot aan hun knieën, sommigen tot aan hun heupen en de band van hun omslagdoek en sommigen zal het zweet tot aan hun mond reiken en hen verhinderen te spreken. Hij zei verder: En de Profeet (vrede en zegeningen zij met hem) wees met zijn hand naar zijn mond.
Aboe Boerda ibn Abī Moessa, moge Allah tevreden met hem zijn, zei: "Aboe Moessa werd getroffen door een hevige ziekte, waardoor hij het bewustzijn verloor terwijl zijn hoofd op de schoot van een vrouw uit zijn familie rustte. Hij was niet in staat om haar ergens van te weerhouden. Toen hij weer bijkwam, zei hij: 'Ik ben onschuldig aan wat de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) ook afwees. De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) heeft zich immers gedistantieerd van de klaagvrouw, de scheerder (die in rouw het haar afscheert) en degene die haar kleding scheurt.'
Overeengekomen tussen al-Boekhari en MoeslimAboe Boerda, moge Allah tevreden met hem zijn, verhaalde dat zijn vader, Aboe Moessa al-Ashʿarī, moge Allah tevreden met hem zijn, zwaar ziek werd en in een toestand van bewusteloosheid raakte. Zijn hoofd rustte op de schoot van een vrouw uit zijn familie, die vervolgens begon te weeklagen en hem luidkeels beweende. Vanwege zijn bewusteloosheid kon hij haar niet tot zwijgen brengen. Toen hij weer bij bewustzijn kwam, zei hij: “Ik distantieer mij van degenen van wie de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zich ook heeft gedistantieerd.” Hij verduidelijkte dat de Profeet (vrede zij met hem) zich had afgekeerd van: De sāliqa: degene die luidkeels huilt en weeklaagt bij een tegenslag. De ḥāliqa: degene die haar haar afscheert bij een tegenslag. De Shāqqa’: degene die haar kleding scheurt bij een tegenslag. Deze gedragingen behoren tot de gebruiken uit de tijd van onwetendheid (jāhiliyya), terwijl de Profeet juist opriep tot geduld bij rampspoed en het zoeken van beloning bij Allah.
Aboe Hoerayra (moge Allah tevreden zijn met hem ) rapporteerde: "De boodschapper van Allah (vrede zij met hem) zei: "De rechten van een moslim op een andere moslim zijn er zes." Er werd gevraagd: "Welke zijn dat, O Boodschapper van Allah?" Hij antwoordde: "Als je hem ontmoet, begroet hem dan met de vredesgroet; als hij je uitnodigt, beantwoord die dan; als hij je om raad vraagt, geef hem dan oprechte raad; als hij niest en Allah prijst, wens hem dan genade toe; als hij ziek is, bezoek hem; en als hij overlijdt, volg hem (tot aan zijn begrafenis.'"
Overgeleverd door MoeslimDe Profeet (vrede zij met hem) verduidelijkte dat een moslim zes rechten heeft ten aanzien van zijn medemoslim: 1. Als hij hem ontmoet, groet hij hem met de woorden: "Vrede zij met u (as-salaamoe 'alaykoem)", waarop de ander antwoordt: "En vrede zij met u (wa 'alaykoem as-salaam)." 2. Hij beantwoordt diens uitnodiging wanneer hij hem uitnodigt voor een maaltijd of andere gelegenheden. 3. Hij geeft hem oprechte raad als hem daarom wordt gevraagd, zonder hem te vleien of te misleiden. 4. Als iemand niest en zegt: "Alle lof behoort aan Allah (alhamdoe lillaah)," wens je hem genade met de woorden: "Moge Allah u genadig zijn (yarhamoeka Allah)." Hierop antwoordt de ander: "Moge Allah u leiden en uw toestand verbeteren (yahdikoem Allah wa yuslih baalakum)." 5. Hij bezoekt hem wanneer hij ziek is. 6. Hij verricht het gebed voor hem bij zijn overlijden en volgt zijn begrafenisstoet tot de teraardebestelling.
Aisha, de moeder der gelovigen, moge Allah tevreden zijn met haar, vertelde dat de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem), zei tijdens zijn ziekte waarvan hij niet meer herstelde: "Moge Allah de joden en de christenen vervloeken, zij hebben de graven van hun Profeten tot plaatsen van aanbidding gemaakt.' Zij zei: 'Als het niet om dat verbod was geweest, zou zijn graf zichtbaar zijn gemaakt, maar men vreesde dat het tot een plaats van aanbidding zou worden gemaakt".
Overeengekomen tussen al-Boekhari en MoeslimAisha, de moeder der gelovigen, moge Allah tevreden zijn met haar, vertelt dat de Profeet (vrede zij met hem) tijdens zijn ernstige ziekte, die uiteindelijk zijn dood veroorzaakte, het volgende zei: "Moge Allah de joden en de christenen vervloeken en hen uit Zijn genade verdrijven." Dit zei hij omdat zij de graven van hun Profeten hebben omgevormd tot plaatsen van aanbidding door deze te bouwen, er gebeden bij uit te spreken of naar hen te bidden. Daarna voegde zij, moge Allah tevreden zijn met haar, eraan toe: "Als het niet voor dit verbod en de waarschuwing van de Profeet (vrede zij met hem) was geweest en de bezorgdheid van de metgezellen dat men met het graf van de Profeet (vrede zij met hem) hetzelfde zou doen als de joden en de christenen met de graven van hun Profeten, dan zou zijn graf zichtbaar zijn gemaakt.
Overgeleverd door Aboe Sa'id al-Khoedri (moge Allah tevreden zijn met hem), die zei: Ali ibn Abi Talib (moge Allah tevreden zijn met hem ) stuurde naar de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) een kleine hoeveelheid goud uit Jemen, verpakt in een leren zak die nog niet gezuiverd was van zijn stof. Hij verdeelde het onder vier mannen: 'Uyaina ibn Badr, Aqrae' ibn Habis, Zayd al-Khayl, en de vierde was ofwel 'Alqama of 'Amir ibn al-Tufayl. Toen zei een van zijn metgezellen: "Wij hadden hier meer recht op dan zij." Dit bereikte de Profeet (vrede zij met hem), waarop hij antwoordde: "Vertrouwen jullie mij niet, terwijl ik de vertrouwde ben van degene die in de hemel is? Elke ochtend en avond komt mij nieuws van de hemel." Daarop stond een man op die diepe ogen had, vooruitstekende jukbeenderen, een vooruitspringend voorhoofd, een dikke baard, een kaalgeschoren hoofd, en een opgetrokken kledingstuk. Hij zei: "O Boodschapper van Allah, vrees Allah!" De Profeet (vrede zij met hem) antwoordde: "Wee jou! Wie zou meer recht hebben om Allah te vrezen dan ikzelf?" Vervolgens draaide de man zich om om weg te gaan. Khalid ibn al-Walid zei: "O Boodschapper van Allah, mag ik zijn hoofd afhakken?" De Profeet (vrede zij met hem) antwoordde: "Nee, misschien bidt hij." Khalid zei: "Hoeveel mensen spreken met hun tong tijdens het gebed, terwijl hun hart er niet werkelijk bij betrokken is?" Waarop de Profeet (vrede zij met hem) antwoordde: "Ik ben niet bevolen om de harten van de mensen te doorgronden of hun buiken open te snijden." Toen keek hij naar de man terwijl die wegliep en zei: "Uit de nakomelingen van deze man zal een volk opstaan dat het Boek van Allah opzegt met vochtige tongen, maar het zal hun keel niet voorbijgaan. Zij zullen uit de religie stappen als een pijl die op haar doel afschiet." En ik geloof dat hij zei: "Als ik hen ontmoet, zal ik hen doden zoals de stam van Thamoed is gedood".
Overeengekomen tussen al-Boekhari en MoeslimAli ibn Abi Talib, moge Allah tevreden zijn met hem, zond een stuk goud naar de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) vanuit Jemen. Het goud was verpakt in een met looizuur bewerkt leer, maar de goudstuk was nog vermengd met aarde. De Profeet (vrede zij met hem) verdeelde het goud onder vier mannen: Oeyayna ibn Badr al-Fazari, al-Aqra' ibn Habis al-Handzali, Zayd al-Khayl al-Nabhani, en 'Alqama ibn 'Alatha al-'Amiri. Toen zei een man van zijn metgezellen: Wij verdienen dit meer dan deze mensen. Dit bereikte de Profeet, vrede zij met hem, en hij zei: "Vertrouwen jullie mij dan niet, terwijl ik de vertrouweling ben van Degene die in de hemel is? Het nieuws van de hemel komt elke ochtend en avond tot mij". Toen stond een man op, met diep ingezonken ogen, prominente en hoge jukbeenderen, een verheven voorhoofd, een volle, maar niet lange baard, een kaalgeschoren hoofd en zijn kleding opgetrokken. Hij zei: O Boodschapper van Allah, vrees Allah!" De Profeet (vrede zij met hem) antwoordde: "Wee je, ben ik niet degene die het meest gerechtigd is om Allah te vrezen onder de mensen van de aarde?!" Daarop draaide de man zich om. Khalid ibn al-Walid zei toen: "O Boodschapper van Allah, mag ik zijn hoofd afhakken?" De Profeet antwoordde: "Nee, misschien is hij iemand die het gebed verricht". Khalid zei: Hoeveel aanbidders zeggen met hun tong wat niet in hun hart is, de Profeet (vrede zij met hem) zei: Ik ben niet opgedragen om de harten van de mensen te doorgronden, noch om hun innerlijk open te snijden; ik ben alleen opgedragen om af te gaan op wat aan de buitenkant zichtbaar is. Daarop keek de Profeet (vrede zij met hem) naar de man terwijl hij wegliep en zei: Uit de nakomelingen van deze man en zijn stam zullen mensen voortkomen die vakkundig de Koran reciteren met een aangename stem, hun tongen zullen bevochtigd zijn door de vele recitatie ervan, maar de Koran zal hun kelen niet voorbijgaan om hun harten te bereiken en hen te verbeteren. Allah zal hen niet verheffen, noch hun daden aanvaarden. Ze zullen uit de Islam treden zoals een pijl uit een prooi schiet, snel en licht. En ik geloof dat hij ook zei: Als ik hun opstand tegen de moslims met het zwaard zal meemaken, zal ik hen doden zoals het volk van Thamoed gedood werd.
Aboe Hoerayra (moge Allah tevreden zijn met hem ) rapporteerde dat de Boodschapper van Allah (vrede zij met hem ) zei: "De laagste positie van één van jullie in het Paradijs is dat er tegen hem gezegd wordt: 'Wens!' En hij zal wensen en blijven wensen. Dan wordt hem gevraagd: 'Heb je alles gewenst?' En hij zal zeggen: 'Ja.' En er wordt tegen hem gezegd: 'Voorwaar, je krijgt wat je hebt gewenst en het gelijke daarvan erbij".
Overgeleverd door MoeslimDe Profeet (vrede zij met hem) vertelde dat de laagste rang in het Paradijs voor degene die het betreedt, is dat hem wordt gevraagd te wensen wat hij maar wil. Hij zal zijn wensen uitspreken, één voor één, totdat hij niets meer te wensen heeft. Dan zal hem gevraagd worden: 'Heb je alles gewenst?' Hij zal antwoorden: 'Ja.' En dan zal tegen hem worden gezegd: 'Je zult niet alleen alles krijgen wat je hebt gewenst, maar ook nog eens hetzelfde erbij.'
Aboe Hoeraira, moge Allah tevreden met hem zijn, zei: De Boodschapper van Allah (vrede zij met hem) werd een schouder van een schaap aangeboden, wat zijn voorkeur had. Hij nam er een hap van en zei vervolgens: "Ik ben de meester van de mensen op de Dag der Opstanding. En weten jullie waarom? Allah zal de eerste en de laatste mensen samenbrengen op één vlakke grond, waar de oproep hen zal bereiken en hun gezichten niet verborgen zullen blijven, want de aarde is gelijk en er is niets dat iemand zou kunnen verbergen voor de toeschouwers. De zon zal dicht bij de schepselen komen en de mensen zullen een zware druk en angst ondervinden die ze niet kunnen verdragen of uithouden. Dan zullen de mensen zeggen: 'Zien jullie niet wat er met ons is gebeurd? Zien jullie niet wie voor ons kan pleiten bij onze Heer?' Dan zal een groep mensen tegen een andere zeggen: 'Ga naar Adam.' Ze zullen naar Adam (vrede zij met hem) gaan en tegen hem zeggen: 'Jij bent de vader van de mensheid, Allah heeft jou met Zijn hand geschapen en jou geleerd wat je moest weten. Hij beval de engelen om voor jou te buigen. Pleit voor ons bij jouw Heer, zie je niet wat er met ons is gebeurd? Zie je niet wat ons is overkomen?' Adam zal zeggen: 'Mijn Heer is vandaag zo boos dat Hij nog nooit eerder zo boos was en Hij zal nooit meer zo boos zijn. Hij heeft me verboden van de boom te eten en ik was Hem ongehoorzaam. Ik kan niet pleiten; ga naar iemand anders, ga naar Noeh.' Ze zullen naar Noeh gaan en zeggen: 'O Noeh, jij bent de eerste boodschapper van Allah naar de mensen op aarde en Allah heeft jou de dankbare dienaar genoemd. Pleit voor ons bij jouw Heer, zie je niet wat er met ons is gebeurd?' Hij zal zeggen: 'Mijn Heer is vandaag zo boos dat Hij nog nooit eerder zo boos was en Hij zal nooit meer zo boos zijn. Ik had een dua die ik voor mijn volk heb gedaan; ik kan niet pleiten; ga naar iemand anders, ga naar Ibrahim.' Ze zullen naar Ibrahim gaan en zeggen: 'O Ibrahim, jij bent de vriend van Allah op aarde. Pleit voor ons bij jouw Heer, zie je niet wat er met ons is gebeurd?' Hij zal zeggen: 'Mijn Heer is vandaag zo boos dat Hij nog nooit eerder zo boos was en Hij zal nooit meer zo boos zijn. En ik heb drie leugens verteld; ik kan niet pleiten; ga naar iemand anders, ga naar Moesa.' Ze zullen naar Moesa gaan en zeggen: 'O Moesa, jij bent de boodschapper van Allah en Allah heeft jou gekozen met Zijn boodschap en met Zijn Woord voor de mensen. Pleit voor ons bij jouw Heer, zie je niet wat er met ons is gebeurd?' Hij zal zeggen: 'Mijn Heer is vandaag zo boos dat Hij nog nooit eerder zo boos was en Hij zal nooit meer zo boos zijn. En ik heb een ziel gedood die ik niet mocht doden; ik kan niet pleiten; ga naar iemand anders, ga naar 'Isa, de zoon van Maria.' Ze zullen naar 'Isa komen en zeggen: 'O 'Isa, jij bent de boodschapper van Allah en het Woord dat Hij aan Mariam heeft gegeven en een geest van Hem. Jij sprak tegen de mensen als pasgeborene. Pleit voor ons bij jouw Heer, zie je niet wat er met ons is gebeurd?' Hij zal zeggen: 'Mijn Heer is vandaag zo boos dat Hij nog nooit eerder zo boos was en Hij zal nooit meer zo boos zijn.' Hij noemt geen zonde en zegt: 'Ik kan niet pleiten; ga naar iemand anders, ga naar Mohammed.' Ze zullen naar Mohammed komen en zeggen: 'O Mohammed, jij bent de boodschapper van Allah en de laatste der profeten. Allah heeft jou vergeven wat er voorafging en wat er nog zal komen. Pleit voor ons bij jouw Heer, zie je niet wat er met ons is gebeurd?' Dan zal ik gaan en onder de troon vallen, in aanbidding voor mijn Heer, de Verhevene. Dan zal Allah mij openbaren wat ik kan prijzen en wat ik zal zeggen, wat niemand voor mij is geopenbaard. Dan zal er tegen mij gezegd worden: 'O Mohammed, hef je hoofd op, vraag en je zult gegeven worden, pleit en je zult gehoord worden.' Ik zal mijn hoofd heffen en zeggen: 'Mijn gemeenschap, O Heer, mijn gemeenschap, O Heer, mijn gemeenschap, O Heer.' Er zal tegen mij gezegd worden: 'O Mohammed, laat degenen van jouw gemeenschap binnen die geen rekenschap van hen hebben, via de rechter deur van het Paradijs en zij zijn gelijk aan de mensen met betrekking tot de andere deuren.' Daarna zei hij: 'Bij Hem in wiens hand mijn ziel is, wat tussen de twee deuren van het Paradijs is, is als de afstand tussen Mekka en Himyar – of zoals de afstand tussen Mekka en Basra.'"
Overeengekomen tussen al-Boekhari en MoeslimDe profeet (vrede zij met hem) was met zijn metgezellen tijdens een uitnodiging voor een maaltijd en hij kreeg de schouder van een schaap aangeboden, wat zijn voorkeur had. Hij nam een hap en sprak met hen. Hij zei: "Ik ben de meester van de kinderen van Adam op de Dag der Opstanding; dit is om te getuigen van de genade van Allah, de Verhevene." Daarna zei hij: "Weten jullie waarom?" Hij vertelde dat de mensen op de Dag der Opstanding worden samengebracht op een uitgestrekte en gelijkmatige grond en dat iedereen hen zal horen en zien, zonder dat er iets is dat hen zou kunnen verbergen. De zon zal op hen afkomen tot de afstand van een mijl en ze zullen lijden onder een druk die ze niet kunnen verdragen. Dan zullen ze vragen om een schuilplaats via de bemiddeling. Allah, de Verhevene, zal de gelovigen inspireren om naar Adam te gaan. Ze zullen naar hem toe komen en zijn voorkeur noemen, in de hoop dat hij voor hen bij Allah pleit, maar hij zal excuses aanbieden. Hij zal zeggen dat Allah vandaag zo boos is dat Hij nog nooit eerder zo boos was en dat Hij ook nooit meer zo boos zal zijn. Hij zal zijn zonde vermelden en hen vragen naar iemand anders te gaan. Dit patroon herhaalt zich met de andere profeten: Noeh, Ibrahim, Moesa en 'Isa, die ook excuses aanbieden en hen naar iemand anders sturen, totdat ze bij Mohammed komen (vrede zij met hem) zijn. Ze komen naar Noeh en zeggen: "Jij bent de eerste boodschapper die Allah naar de mensen op aarde heeft gestuurd en Allah heeft jou de naam 'Dienaar die dankbaar is' gegeven." Maar hij verontschuldigt zich en zegt: "Allah, de Verhevene, is vandaag zo boos geweest als Hij nog nooit eerder is geweest en Hij zal nooit meer zo boos zijn. Ik heb een dua gedaan voor mijn volk, maar mijn ziel is diegene die om bemiddeling vraagt. Ga naar iemand anders, ga naar Ibrahim." Ze komen bij Ibrahim en zeggen: "Jij bent de vriend van Allah op aarde, bemiddel voor ons bij jouw Heer. Zie je niet in wat wij doormaken?" Hij antwoordt: "Mijn Heer is vandaag zo boos als Hij nog nooit eerder is geweest en Hij zal nooit meer zo boos zijn. En ik heb drie leugens verteld: 'Ik ben ziek,' en 'Dit heeft de grootste onder hen gedaan,' en tegen mijn vrouw Sarah: 'Vertel hem dat ik jouw broer ben zodat hij mij geen kwaad doet.'" De waarheid is dat die drie woorden slechts in andere contexten gebruikt zijn, maar omdat hun vorm die van een leugen was, schaamde hij zich om te bemiddelen, omdat degene die Allah het best kent en het dichtst bij Hem is, het grootste ontzag voelt en zegt: "Mijn ziel is diegene die om bemiddeling vraagt. Ga naar iemand anders, ga naar Moessa". Ze komen bij Moessa en zeggen: "O Moessa, jij bent de boodschapper van Allah, Allah heeft jou met Zijn boodschap en met Zijn woorden boven de mensen verkoren. Bemiddel voor ons bij jouw Heer. Zie je niet in wat wij doormaken?" Hij antwoordt: "Mijn Heer is vandaag zo boos als Hij nog nooit eerder is geweest en Hij zal nooit meer zo boos zijn. En ik heb een ziel gedood die ik niet mocht doden. Mijn ziel is diegene die om bemiddeling vraagt. Ga naar iemand anders, ga naar 'Isa, de zoon van Mariam". Ze komen bij 'Isa en zeggen: "O 'Isa, jij bent de boodschapper van Allah en het woord dat Hij aan Mariam heeft gegeven en een geest van Hem en jij sprak met mensen als een pasgeborene in de wieg. Bemiddel voor ons bij jouw Heer. Zie je niet in wat wij doormaken?" Hij antwoordt: "Mijn Heer is vandaag zo boos als Hij nog nooit eerder is geweest en Hij zal nooit meer zo boos zijn. Ik noem geen zonde. Mijn ziel is diegene die om bemiddeling vraagt. Ga naar iemand anders, ga naar Mohammed". Ze komen naar Mohammed en zeggen: "O Mohammed, jij bent de boodschapper van Allah en de laatste der profeten. Allah heeft jou al jouw zonden vergeven, zowel de vroegere als de latere. Bemiddel voor ons bij jouw Heer. Zie je niet in wat wij doormaken?" Hij gaat dan onder de troon zitten, buigt zich in aanbidding voor zijn Heer en Allah opent voor hem lofprijzingen en mooie woorden die Hij voor niemand anders heeft geopend. Dan wordt er gezegd: "O Mohammed, hef je hoofd op, vraag en je zult krijgen, bemiddel en je zult bemiddeld worden." Hij heft zijn hoofd op en zegt: "Mijn gemeenschap, o Heer, mijn gemeenschap, o Heer, mijn gemeenschap, o Heer." Zijn bemiddeling wordt aanvaard. Er wordt tegen hem gezegd: "O Mohammed, laat onder jouw gemeenschap degenen die geen rekenschap hoeven af te leggen, binnenkomen door de rechterpoort van het Paradijs, terwijl zij ook toegang hebben tot de andere poorten zoals de rest van de mensen." En hij zegt: "Bij Degene in Wiens hand mijn ziel is, het verschil tussen de zijden van de deur van de hemel is als tussen Mekka en Sana'a in Jemen, of zoals het verschil tussen Mekka en Basra in de Levant, dat is de stad van Horan."
Aboe Hoerayrah (moge Allah tevreden met hem zijn) heeft overgeleverd dat de Profeet (vrede zij met hem) heeft gezegd: "De boodschapper van Allah (vrede zij met hem) vervloekte de man die zich kleedt in de kleding van een vrouw en de vrouw die zich kleedt in de kleding van een man."
رواه النسائي في الكبرى وابن ماجه بمعناه وأحمدDe profeet (vrede zij met hem) doet dua tot uitsluiting en afstand van de genade van Allah voor elke man die zich gedraagt als een vrouw in de specifieke kleding van vrouwen; of het nu gaat om de vorm, kleur, stijl, wijze van dragen, versiering, of iets dergelijks. En voor elke vrouw die zich kleedt in de specifieke kleding van mannen, wat een grote zonde is.